Ik was zeven

‘Stap maar op,’ zei mijn vader.
   Met twee handen hield ik me vast aan de bagagedrager. Mijn benen strekte ik links en rechts weg van het wiel. Al snel kreeg ik pijn aan de binnenkant van mijn dijen. Ik schoof ze over mijn vuisten en spande mijn armspieren aan, mezelf zo enigszins optillend.
   ‘Zit stil,’ zei mijn vader.
   Ik zat doodstil en keek vlak voor mij, waar zijn brede rug zwijgend heen en weer bewoog. Nooit eerder was me opgevallen dat de stof van zijn zwarte winterjas haartjes had, ontelbare korte haartjes, eigenlijk niet zwart maar zeer zéér donker grijs. De stof begon uit te vloeien, in alle richtingen, zij stroomde om en over mij heen. Ik werd gewichtloos in een ondoorzichtige zachte massa van wollen streepjes, een zalig zweven in oneindig antraciet.
   ‘Stap maar af,’ zei mijn vader plotseling.
   Wankelend knipperde ik met mijn ogen, fel licht weerkaatste op de witgeverfde bakstenen muur waartegen mijn vader zijn fiets neerzette, onder een blauwe naamplaat met witte letters.
Ik las: dr. Catsberg – tandarts
   Het trekken van de kies herinner ik mij niet.
   Ik herinner mij alleen hoe ik de hele weg naar huis telkens weer met ingehouden adem en zonder knipperen naar mijn vaders rug bleef staren en hoe teleurgesteld ik was omdat het wonder zich geen tweede keer voltrok.

Vak: poëzie, najaar 2016. Opdracht: Beschrijf een poëtische ervaring.

Nieuwe fase

met open raam

Schrijfhoekje opgeruimd. Zomervakantie! Komende twee maanden veel lezen, proberen te ontrafelen hoe schrijvers dat doen, een verhaal schrijven. Of een gedicht. Proberen het na te doen. Zoals kunstacademiestudenten die ik in Parijs en Rome hun schildersezels brutaalweg in museumzalen zag neerzetten, om de grote meesters te imiteren en zo te leren.
In september naar het tweede jaar. Vakken: proza en poëzie.

Scène voor drie vrouwen

(Twee vrouwen op een tramhalte)
ANTOINETTE: O nee, daar heb je haar.
BERNADINE: Wie?
ANTOINETTE: Aan de overkant. Niet kijken! Wandelstok en rode baret.
BERNADINE: Wie is dat?
ANTOINETTE: Dat is die vrouw die ik vorig jaar een paar keer een pan soep heb gebracht.
BERNADINE: Huh?
ANTOINETTE: Heb ik verteld. Ik was haar bij de Appie tegengekomen.
BERNADINE: Heb je niet verteld.
ANTOINETTE: (kreunend) Ooo… laat in godsnaam die tram hier zijn voordat ze deze kant op komt.
BERNADINE: Je gaat me toch niet vertellen dat je bang voor d’r bent.
ANTOINETTE: Kom jij aan deze kant staan, dan sta ik met mijn rug naar d’r toe, (pakt Bernadine vast en trekt aan haar tot ze andersom staan) zeg me als ze hierheen komt.
BERNADINE: (lacherig) Doe effe normaal.
ANTOINETTE: Nee echt, dat mens is doodeng.
BERNADINE: Ze ziet er anders helemaal niet eng uit. Mooie dame, artistiek, beetje chic zelfs.
ANTOINETTE: Ja (schamper lachje) dat was ook mijn eerste indruk.
BERNADINE: Vertel dan!
ANTOINETTE: Nou, ze stond achter me in de rij, bij de kassa, ze vertelde dat ze de hele dag in de VU was geweest voor bestraling en onderzoeken, ze nam haar baret af – een zwarte had ze toen op, ze heeft de hele kapstok vol liggen – liet me haar nieuwe donshaar voelen, vertelde dat ze moeilijk liep omdat de chemo de zenuwen in haar voeten had aangetast, neuro… nog wat
BERNADINE: Polyneuropathie
ANTOINETTE: Zoiets, enfin, ik hielp haar met haar boodschappen en stelde voor even mee te lopen, dat vond ze heel fijn, ik heb haar trolley helemaal naar drie hoog gedragen en… Wat is er? Komt ze hierheen?
BERNADINE: Nee, toch niet, ze gaat de Kruidvat in.
ANTOINETTE: Pff, godzijdank, maar goed, ik had toevallig die dag pompoensoep, dus ik dacht, kom, ik breng die vrouw een pannetje soep.
BERNADINE: Je bent ook echt precíes mam!
ANTOINETTE: Ja ja, maar zeg nou zelf, het is toch een kleine moeite om iemand die alleen is en oud en ziek, één keer in de week wat soep te brengen en een uurtje gezelschap te houden?
BERNADINE: Een keer in de week? (trekt wenkbrauwen op)
ANTOINETTE: Het was écht gezellig, die eerste keer. Ze was dolblij met de soep en we hebben anderhalf uur heel leuk zitten praten dus de week erna ging ik weer
BERNADINE: En?
ANTOINETTE: toen was ze al een heel een stuk minder gezellig. Zat constant te zeuren dat de mensen tegenwoordig allemaal egoïsten zijn en dat niemand iets voor een ander over heeft en…
BERNADINE: (lachend) Tegen jóu nota bene!
ANTOINETTE: Precíes! Ik zei: laatst heeft anders nog een wildvreemde vrouw je boodschappen de trap op gedragen en heerlijke soep gebracht.
BERNADINE: Wat zei ze daarop?
ANTOINETTE: Niks, maar ze was wel even van haar stuk gebracht, dat zag ik wel en
BERNADINE: Wacht, ze komt uit de Kruidvat.
ANTOINETTE: Welke kant loopt ze op?
BERNADINE: O, o…
ANTOINETTE: Wat? Wát?!
BERNADINE: Ze gaat het zebrapad op.
ANTOINETTE: (kreunend) O néé…
BERNADINE: Maak je niet druk, we schoppen gewoon die wandelstok onder haar vandaan.
ANTOINETTE: (lacht zenuwachtig)
(vrouw met wandelstok en rode baret komt op)
BERNADINE: Ja hoor, ze komt de halte op.
ANTOINETTE: Waar blijft die verdomde tram nou toch?
BERNADINE: (met zware maar zachte stem:) Nu moet je dapper zijn, Bambi!
ANTOINETTE: (haalt diep adem en draait zich om naar de vrouw met de wandelstok) Zo, Claire.
CLAIRE: Zo, Antoinette.
BERNADINE: (Opgewekt) Hé, kennen jullie elkaar? Stel me eens voor!
CLAIRE: (met wandelstok van de een naar de ander wijzend) Ik heb heus wel gezien dat zij jou een heel verhaal stond te vertellen en ik durf te wedden dat het over mij ging!
BERNADINE: (bedachtzaam knikkend) Hmm, ik begin te begrijpen waar je het over had, Antoinette.
ANTOINETTE: Bernadine dit is Claire, Claire dit is Bernadine, mijn zus
CLAIRE: Dat hoef je er echt niet bij te zeggen, dat zie ik zo wel, precies hetzelfde schijnheilige smoelwerk!
ANTOINETTE: Wát?
BERNADINE: Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw, maar nu moet ik u toch echt tegenspreken, ik ben een héél ander type dan Antoinette, zij heeft duidelijk het Moeder Theresa-gen, dat in onze familie her en der de kop opsteekt, ikzelf daarentegen…
CLAIRE: (negeert Bernadine) Zogenaamd meelevend en behulpzaam, laat me toch niet lachen! Alles precies afgemeten en op jouw voorwaarden, als het jóu uitkomt en oh wee degene die het in zijn hoofd haalt eens onverwacht langs te komen, die krijgt mooi de deksel op de neus en komt van een kouwe kermis thuis! Je bent een rasechte egoïst, met een mierzoet maar flinterdun suikerlaagje, van aangeleerde naastenliefde, waar je niks niemendal van meent, één grote show, allemaal nep!
ANTOINETTE: (haar mond valt open)
BERNADINE: (schopt de wandelstok van Claire weg, Claire valt, Bernadine vangt haar op) Oeps, niet vallen, mevrouw! Maar wat ik zeggen wou, ik ben dus echt een héél ander type dan Antoinette. Zij is zo hardleers, blijft zich maar ontfermen over allerlei zielepoten, wat op zich natuurlijk prijzenswaardig is, maar…
CLAIRE: (rukt zich los) Blijf met je tengels van me af!
BERNADINE: Neemt u mij niet kwalijk, ik wilde er zeker van zijn dat u weer stevig op uw benen stond, gaat het?
CLAIRE: Denk je dat ik achterlijk ben? Jij schopte tegen mijn stok, ik voelde het heus wel!
BERNADINE: Ik geef het toe, het spijt me heel erg, maar als iemand gemeen doet tegen mijn zusje dan…
CLAIRE: Doe niet zo belachelijk, je zusje is een vrouw van middelbare leeftijd!
BERNADINE: Ja maar ze is heel naïef, weinig mensenkennis. Kán maar niet begrijpen dat sommige mensen alléén zijn omdat… nou ja, omdat gewoon niemand het bij ze uithoudt. Ik zal zorgen dat ze u niet meer lastigvalt. Kom Antoinette, die tram komt niet, wij gaan lopen! Dag mevrouw, fijne middag nog.
(Bernadine en Antoinette gearmd en lachend af. Nagekeken door een verbouwereerde Claire.)

Vak: Toneelschrijven. Opdracht: dialoog met inmenging van derde personage.

De kunst van tante Jetje

Nadat mijn opa was overleden ging ik in zijn plaats twee of drie keer per jaar met oma mee naar tante Jetje. Een hele onderneming; op de fiets naar station Beek-Elsloo, met de trein naar Roermond, van daaruit een half uur in de bus en tenslotte nog twintig minuten lopen. Tante Jetje stond ons vaak al op te wachten achter de glazen deur. Het eerste wat ze deed als we binnenkwamen, was de vlaai van mijn oma afpakken en deze naar de keuken brengen. Een grote kan koffie was al gezet en op de tafel stonden kopjes, melk en suiker gereed. Tante Jetje trok ons onze jassen uit en hing ze aan de kapstok, daarna dirigeerde ze ons naar de stoelen rond de tafel, schonk koffie in en sneed de vlaai. We móesten vlaai eten en koffie drinken, daar zag ze streng op toe. En een beetje voortmaken, want zodra Jetje twee punten naar binnen had gepropt en ze haar mond gespoeld had met mierzoete koffie, ging ze de jassen alweer halen; een wandeling naar het dorp was vast onderdeel van het programma. In de dorpswinkel mocht ze een cadeautje uitzoeken en in het café kreeg ze een Sinas en een reep chocola met gele vulling. Als we daarna terugkeerden bij de woongroep, ging ze naar binnen, sloeg de deur voor onze neus dicht en vanachter het glas zwaaide ze ons vrolijk lachend uit.
   Ik denk aan Jetje als ik rondloop in het Outsider Art Museum in de Hermitage in Amsterdam. Ik lees daar: ‘De binnenwereld van de Outsider-kunstenaar is vaak zo vol dat creativiteit een bijna noodzakelijke uitlaatklep is,’ en: ‘Outsider Art is niets meer of minder dan de innerlijke stem in de kunst. Wanneer wij willen, kunnen wij die verstaan.’
  Jetje kon niet praten. O, ze wist je wel duidelijk te maken wat ze wilde, met gebaren of gewoon door je pols in een ijzeren greep te nemen en je ergens heen te sleuren, maar naar wat er in haar hoofd en hart omging bleef het gissen. Ze hád een binnenwereld, dat was duidelijk. Vaak zat ze ondeugend te gniffelen. Ja, ondeugend was ze! En grappig en lief. Van menig verzorger was Jetje de favoriete bewoner. Vergeleken met veel van haar huisgenoten was zij heel ‘goed’: ze verzorgde zichzelf, hielp graag met afwassen en opruimen, ging mee de post ophalen en rondbrengen, was vrijwel altijd vrolijk, had gevoel voor humor en… ze was ontzettend creatief. Hele lakens borduurde ze tot aan de rand vol met kleurige wol, steek naast steek vulde ze de vrolijke taferelen in die ze zélf met balpoint op de witte stof getekend had. Alles wat ze zag en meemaakte werd erin verwerkt. Fantastische wandkleden die opvielen tussen de andere producten in het winkeltje van de instelling. Dit was geen brave huisvlijt van een zwakzinnige, dit was Outsider Art, ook al wisten wij dat toen niet.
   We hadden het kúnnen weten: reeds in 1972 werd de term gelanceerd, door de Engelse kunstcriticus Roger Cardinal, als synoniem voor Art Brut, de naam die de Franse kunstenaar Jean Dubuffet gaf aan de kunst van makers die buiten de officiële kunstwereld staan, en niet zelden ook buiten de samenleving.
   Sinds Il Pallazo di Everything, op de Biënnale van Venetië van 2013, is er in de internationale kunstwereld hernieuwde belangstelling voor Outsider Art. The Museum Of Everything toonde in Venetië onder andere het werk van Carlo Zinelli die in de Spaanse Burgeroorlog dusdanig getraumatiseerd raakte dat hij niet meer kon spreken en ernstige psychische problemen kreeg. Opgenomen in een inrichting begon hij zo enthousiast op de muren van zijn kamer te tekenen dat men hem snel een atelier ter beschikking stelde. Hij werkte er acht uur per dag. Zijn psychiater was dermate onder de indruk van zijn werk, dat hij het onder de aandacht bracht van La Compagnie de l’Art Brut, waar het tot op heden een belangrijk deel van de collectie uitmaakt. Carlo Zinelli liet bijna drieduizend schilderijen en tekeningen na, die tegenwoordig herontdekt worden door een nieuwe generatie kunstenaars, curators en verzamelaars.
   Een keer bleek de winkel in het dorp gesloten. Jetje voelde verschillende keren aan de deur, keek nadenkend links en rechts en pakte vervolgens kordaat oma’s handtas. Ze grabbelde erin, duidelijk op zoek naar iets. Uiteindelijk vond ze het, in oma’s portemonnee: een huissleutel! Met een triomfantelijk gezicht stak ze hem in het slot van de winkeldeur. Tot haar verbazing paste hij niet. Jetje keek heel even teleurgesteld, borg de sleutel weer op en sleurde oma en mij mee naar het café. Ze had een bepaalde mate van intelligentie. Ergens was ze blijven steken in haar ontwikkeling, niemand weet waardoor. Ze is geboren in 1938, wie weet is ze net als Carlo Zinelli getraumatiseerd door de oorlog. Zo is mijn oma er ook altijd van overtuigd geweest dat mijn moeder, geboren in 1934, leerproblemen kreeg door angst. Luchtalarm en nachtelijke uitstapjes naar een schuilkelder zijn voor niemand goed en al helemaal niet voor kinderen met een sterke verbeeldingskracht, lijkt mij.
  Met het Outsider Art Museum heeft Nederland sinds maart 2016 een permanente plaats voor de ontwikkeling van actuele Outsider Art. In de tentoonstelling die nu te zien is, hangt werk van Chinese en Nederlandse Outsider-kunstenaars naast elkaar. ‘Ze volgen beiden hun innerlijke stem, en blijken daarbij deels hetzelfde idioom te gebruiken.’
Roel Heijmans, acryl op papier
   Het werk van Roel Heijmans (foto) doet me onmiddellijk denken aan die keer dat oma, Jetje en ik werden opgehaald door Oom Wim en Tante Juulke. Ze namen ons mee naar hun huis in Kerkrade waar oom Wim slagroomsoesjes voor ons maakte. In de tuin had hij een grote duiventil, waar Jetje niet uit weg te slaan was. Ook maakten we een wandeling door het park bij het Seminarie waar we de hertjes brood gaven en Jetje en ik een ijsje kregen. Na afloop tekende tante Jetje haar onafscheidelijke schetsboek  – dat je net als de gouaches van Charlotte Salomon kon lezen als een dagboek –  vòl met duiven, slagroomsoesjes, hertjes, ijsjes en ook: een Mariabeeld met kaarsen en bloemen, en een priester in vol ornaat, want uiteraard gingen we even de abdij in om een kaarsje aan te steken. Heeft ze de tekeningen van die dag ooit in een wandkleed verwerkt? Onmogelijk te achterhalen. Met een gevoel van spijt vraag ik mij af waarom mijn moeder nooit een wandkleed van haar zusje heeft gekocht.
   De bezoeken aan mijn tante Jetje waren voor mij heerlijk dagjes uit. Pas later besefte ik dat het voor mijn oma heel zware dagen moeten zijn geweest. Na oma’s dood bleven mijn moeder en haar broers hun zusje beurtelings bezoeken. De laatste jaren komt het er niet meer van, ze zijn allemaal rond de tachtig, net als Jetje zelf. Volgens de periodieke verslagen van  de instelling tekent ze af en toe nog een beetje, zonder veel animo. Niemand weet waar haar talloze schetsboeken en wandkleden gebleven zijn. Niemand weet of ze misschien in haar binnenwereld nog bestaan. Zou het voor Jetje wat uitgemaakt hebben als haar werk in een museum terecht was gekomen?

Vak: essay, voorjaar 2017. Opdracht: ga naar een museum en laat je inspireren.

Vaders vleugels

Vanuit Meers, een klein dorp tussen Maas en Julianakanaal, in een grote lus van de rivier, fietste mijn vader vanaf zijn dertiende dagelijks naar de mulo in Geleen. Zijn jongensfiets was aan de kleine kant en de banden waren kaal. Toch moest hij het er een paar jaar mee doen. Pas na de oorlog kreeg hij een grotere; een oude zwarte herenfiets, geruild tegen drie logge clubfauteuils, door de Engelsen tijdens de evacuatie in de woonkamer van mijn grootouders hadden neergezet.
   Zomer ’57 zag mijn vader, inmiddels zesentwintig en al tien jaar aan het werk, in de etalage van de fietsenmaker een zilvergrijze Gazelle staan. Het nieuwste van het nieuwste: Reynolds buis, plat stuur, handremmen, derailleur. Op deze tweewieler zat je niet rechtop, je lag zowat dubbelgevouwen voorover. Een sportfiets! Een model dat zich tot de zwarte opa- en omafietsen van de andere Meersenaren verhield als de Citroën DS tot de Traction Avant. Zonder zich te bedenken telde mijn vader driehonderd gulden neer. Twee van zijn drie broers reden motor en lachten hem uit. Wie gaat er nou nog zelf trappen! Alleen zijn jongste broer Hub deelde zijn liefde voor de pedalen en de wind. En daarbij zijn nieuwsgierigheid naar de wereld buiten de grenzen van het dorp.
   Het woord meers betekent: moeras of laaggelegen weideland. Inwoners van het dorp Meers staan in de omgeving bekend als apart en eigenzinnig. Wie was hun stamvader? Wie kwam op het idee om daar op dat zompige land, dat regelmatig onder water liep, aan het einde van de wereld leek het wel, zijn huis te bouwen? Vanuit Meers kun je twee kanten op: naar Stein en naar Elsloo. Beide wegen kruipen tamelijk stijl omhoog het dorp uit en leiden naar bruggen over het Julianakanaal. De Meersenaar van toen kwam zelden verder dan de buurdorpen, een uitstapje naar Maastricht was voor hem zoiets als de Hadj voor mijn Islamitische buurvrouw nu. Mijn vader en Hub wilden wat van de wereld zien. Op zondagen knoopten ze een veter om hun linkerbroekspijp, stopten wat in papier verpakte boterhammen met kaas in hun ene jaszak en een veldfles met koude thee in de andere, en trokken erop uit. In een cirkel met een straal van zo’n vijftig kilometer verkenden ze alle wegen, weggetjes en slingerpaadjes. Bij wind mee gingen ze wel eens rechtop zitten om zich, de panden van hun jas als zeilen uitzettend, vooruit te laten blazen.
   In een Amsterdams wijkkrantje las ik een artikel over fietslessen voor vrouwen. Een vrouw uit Iran die het certificaat al gehaald had en haar zusters wilde aanmoedigen hetzelfde te doen, zei: ‘Het was gewéldig om te leren fietsen, alsof ik vleugels kreeg!’ Dat ontroerde mij zeer. Ik stelde me voor hoe die vrouw, weggevlucht uit een land waar ze niks mocht, hier met het haar eindelijk wapperend in de wind op een fiets reed. Huilend van geluk, denk ik. Ik realiseerde me dat de gedachte nooit meer te kunnen fietsen voor mij bijna net zo erg is als de gedachte nooit meer te kunnen lopen. Fietsen, wat is er voor ons Nederlanders vanzelfsprekender dan dat. Je leert lopen, en dan leer je fietsen. Niks bijzonders, toch?
   Wél! Het is wáár wat die Iraanse vrouw zei: een fiets geeft je vleugels.
Eén keer per jaar, in de zomervakantie, kwam mijn vader met een grote fles Coca cola thuis. Gillend sprongen wij dan om hem heen, maar nooit kregen we ook maar een druppel. Cola was maar voor één ding goed: om de fiets zeer grondig schoon te maken en van roest te ontdoen. Mijn vader haalde de Gazelle uit elkaar, legde de schroeven in een plastic teiltje en schonk er de hele fles bruine frisdrank over uit. Wij stonden een tijdje watertandend naar het gebruis te kijken en dropen tenslotte af. Een paar uur later duwde hij ons de schroeven onder de neus, die dan weer blonken als nieuw, en zei: ‘Zie je wel, cola vreet alles op, als je die rotzooi drinkt krijg je een gat in je maag!’ Daarna zette hij de Gazelle weer in elkaar. Tot aan zijn pensioen reed mijn vader erop naar zijn werk en nog steeds zag de fiets er tiptop uit. Na zijn zeventigste ging mijn vader steeds minder fietsen en toen het hem op zijn zesentachtigste niet meer lukte het been soepeltjes over het zadel te zwaaien kocht hij een damesfiets met lage instap. Daarmee was de lol er wel een beetje vanaf. Zijn broer daarentegen, maakte nog elke week een paar pittige tochten op de racefiets. Hij en mijn vader waren als laatsten overgebleven. De vier broers en zussen tussen hen in hadden ze in de loop der jaren begraven. Nu werd het spannend! ‘De eersten zullen de laatsten zijn,’ placht mijn vader grappend en plagend te zeggen, maar van triomf was geen sprake toen dit gezegde uitkwam.
   Je moet sowieso oppassen met wat je zegt. Hub riep altijd: ‘Ik hoop dat ik op de fiets sterf.’ En ook dat kwam uit. Dit voorjaar kreeg hij tijdens een tourtje door België een hartstilstand, weg was hij. In plaats van uitnodigingen voor het feest ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag werden er rouwkaarten verstuurd en misschien vraagt mijn vader zich nu af:
‘Hoe kom ík hier weg, zonder vleugels…’

IMG_0960

Vak: essay, voorjaar 2017. Opdracht: schrijf een stuk met een voorwerp in de hoofdrol.

Vlees

Wanneer mijn zus en ik zondags, gezegend en wel, na de hoogmis naar huis wandelden, liep het water ons in de mond. Ik heb het over begin jaren zeventig. Huizen hadden opeens een grijs plastic vierkantje in de bakstenen zijgevel, naast het keukenraam: de uitlaat van De Afzuigkap. Daarin wapperden drie horizontale klepjes al ratelend de kooklucht naar buiten. De moeders, die naar de vroegmis waren geweest, stonden met hun zondagse schort voor aan het fornuis en in alle straten van het dorp hing de geur van gebraden vlees. Bij ons thuis was het om en om varken en rund wat de pot schafte. Door-en-door gaar en badend in een dikke bruine jus die royaal over de gekookte aardappelen werd gelepeld.
   Al het vlees kwam van de slager om de hoek. Op Youtube bekijk ik een documentaire uit 2014 getiteld Laatste ambachtelijke slagerij Meijers Elsloo, waarin de broers Math en Hay vertellen over het slagersvak zoals zij dat al bijna een halve eeuw uitoefenen. De kleine slagerswinkel, waar ik als kind graag aan de hand van mijn vader naartoe liep om een plakje worst in ontvangst te nemen en later bijna dagelijks heen werd gestuurd om een boodschap, ziet er in het filmpje nog precies hetzelfde uit als vijftig jaar geleden. We volgen Math als hij bij de plaatselijke veeboer een stier gaat uitkiezen. Hij beweert dat hij aan een beest kan zien hoe zijn vlees zal smaken. De runderen staan in ruime, schone boxen en kijken je met een heldere, nieuwsgierige blik aan, als huisdieren. Ja, als individuen! Even later zien we de veewagen bij de slachterij aankomen. Heel rustig trekken twee mannen de stier met een touw naar zich toe. Over de laadklep heen plaatst een van hen een metalen apparaat (het lijkt nog het meest op zo’n meeneem-fietspomp) tussen de stier z’n ogen, we horen een luide pàng en het dier stort onmiddellijk dood neer. Met een zware dreun valt het op de bodem van de aanhanger. Het zag niets aankomen, had geen tijd om bang te zijn. Javier Bardem met z’n hogedrukspuit gezien in No Country For Old Men? Dat idee. Ook de slachterij en de handelingen die daar verricht worden zijn nog precies als in mijn herinnering. Mooie herinnering aan spannende uren uit mijn kindertijd!
   Wanneer een van ons er lucht van kreeg dat er geslacht ging worden hoefde hij dat maar één keer te roepen en wij lieten ballen en springtouwen uit onze handen vallen en rènden, of rolschaatsten, met z’n allen de straat uit om heerlijk te gaan griezelen. Eerst bleven we op de stoep voor de winkel staan kijken naar het uitladen van het varken of de koe van wie het laatste uur geslagen had. Vonden we het zielig? Ik geloof het niet. Kan me niet herinneren dat er ooit iemand van ons vegetariër wilde worden, al hielden we nog zo veel van dieren. Tijdens wandelingen aaiden we over het prikkeldraad heen koeien en paarden, we brachten de eendjes en de hertjes oud brood, we redden uit het nest gevallen vogeltjes, we plengden tranen op het graf van hamsters en cavia’s en lieten ons schaterlachend door honden het gezicht aflikken. Maar dat deze beesten geslacht werden was een vanzelfsprekende gang van zaken. Vlees eten was niet iets om je schuldig over te voelen. Ik geloof dat we niet eens wísten dat er ook mensen zijn die géén vlees eten. De slagers stuurden ons niet weg, ook niet als we achter hen aanliepen naar het slachthuis achterom, om datgene te zien waar we eigenlijk niet naar durfden te kijken. Ze vonden denk ik, dat kinderen stukje bij beetje moeten leren hoe het leven in elkaar zit.
   Schuin tegenover de slager woonde begrafenisondernemer Paul Daemen. Toen daar eens een jonge buurvrouw opgebaard lag, doodgebloed bij de geboorte van haar eerste kind, stuurde mijn moeder ons erheen met de woorden: ‘Jullie moeten toch eens ’n keer een dode zien en zo’n mooie jonge vrouw, die niet ziek was, is niet akelig.’ Het was inderdaad niet akelig. Net Sneeuwwitje. Maar dat is een ander verhaal.
   Afgelopen week hoorde ik op de radio dat de Tweede Kamer een motie van de Partij voor de Dieren heeft aangenomen voor camera-toezicht in alle Nederlandse slachthuizen. Bij slagerij Meijers gebeurde alles onder toezicht van het hele dorp. Ze hadden niks te verbergen.
   Ruziënd over wie op de deksel van de zinken vuilnisbak mocht staan verdrongen wij ons met z’n tienen voor het raampje in de zijmuur van de kleine slachterij, een brandschone wit betegelde ruimte. Eerst zagen we hoe het donkerrode bloed dat uit het dier stroomde werd opgevangen in roestvrijstalen bakken. Daarna werden er scherpe metalen haken door de achterpoten geslagen en werd het dier aan kettingen een stukje opgetakeld. De buik werd opengesneden, de endeldarm werd losgemaakt en de bleekblauwe darmen kronkelden over de vloer. Huh! Die darmen vonden we allemaal het griezeligst. En dan het wegbranden van varkensharen, die lùcht, brrr… De hagelwitte overalls van de slagers raakten meer en meer besmeurd met bloed, de profielzolen van hun rubberlaarzen stempelden ontelbare rode afdrukken op de vloer. Ik moest altijd denken aan het sprookje Blauwbaard, of nee, waarschijnlijk was het andersom, zag ik bij het lezen van Blauwbaard deze beelden voor me. Wanneer het bloederigste deel van het karwei achter de rug was en het meeste rood met behulp van een waterslang tot lichtroze verdund en door een vloerputje weggespoeld, wandelden wij opgewonden napratend terug naar onze eigen straat, waar we het speelgoed weer oppakten.
   ’s Avonds aan de eettafel zei je tegen je ouders: ‘We zijn naar het slachten gaan kijken!’     ‘Wat leuk,’ zei je moeder en legde een hamlapje op je bord, dat je met smaak verorberde.
   Jaren later, ik woonde in Maastricht op kamers, las ik in een plaatselijke krant een ingezonden brief van iemand die zich enorm opwond over het slachten van een varken op een oude-ambachtenmarkt waar kinderen rondliepen. Elke dag weer, minstens een week lang, stonden er ingezonden brieven over dit onderwerp in de krant en de schrijvers ervan waren het allemaal roerend met elkaar eens: dit kon écht niet! Toen ik uiteindelijk in de pen wilde klimmen om een stevig tegengeluid te laten horen was potverdomme ‘de discussie gesloten.’
   Inmiddels vliegen je de filmpjes van misstanden in de vleesindustrie om de oren en kinderen zijn misschien wel beter op de hoogte dan hun ouders. Heel wat kinderen in mijn omgeving zijn op eigen initiatief vegetariër geworden. Ik bewonder die kinderen! Zelf klik ik de slachthuisfilmpjes altijd gauw weg, net als mijn geweten, dat fluistert dat ik geen vlees meer zou moeten eten. Vlees eten is al lang niet meer iets dat ik onbekommerd doe. Van mijn vader hoor ik dat de broers Math en Hay Meijers deze zomer met pensioen gaan. De slagerij sluit voorgoed de deuren. Is dit niet hèt moment om eindelijk vegetariër te worden?
   Om er niet over na te hoeven denken ga ik op zoek naar een plaatje dat mijn kapper duidelijk moet maken wat ik bedoel met ‘rommelig.’ Ik google Chrissie Hynde, die had altijd zo’n leuk haar, herinner ik me opeens. Wat lees ik naast de eerste de beste Youtube afbeelding van haar: Chrissie Hynde on why she doesn’t eat meat. Wattefak > Play!
   Ik kijk en luister naar haar en kan alleen maar instemmend knikken.
   Doe mij dat kapsel én dat karakter.

Vak: essay, voorjaar 2017. Opdracht: Neem een herinnering waarin een geur een belangrijke rol speelt en verbind die met iets in het heden.

Bag Lady

Ze slaapt buitengewoon licht, in haar papieren
parkboudoir, onder de oude treurwilg.

Afhangende takken verbergen haar.
Zachtjes slingerend, als een kraaltjesgordijn.

In ademnood schrikt zij op, een benauwde droom!

In een doolhof van duizend-en-één vakken,
grijpen haar doorgewinterde vingers, tussen steeds weer
herschikte parafernalia, een medaillon van klatergoud.

Ze verlaat haar nachtelijke verblijfplaats
met geritsel en geruis van haar kudde tassen, die
aan haar armen hangt, om haar kuiten dromt.

Behoedzaam gaat zij over het bedauwde gras…

Voor een overvolle vuilnisbak blijft ze staan, ze murmelt:
bijeengesprokkelde, dooreen gehusselde woorden. 

Een sinaasappel met lichtblauw gepoederde rimpelwangen,
biedt haar een luisterend oor.